Verslag: Hoe bouwen we een duurzame toekomst voor de Nederlandse economie bouwen na de corona-crisis?

Door Koen van der Gaast op 26 mei 2020

Op 5 mei gingen we een discussie-experiment aan. Op het digitale platform Slack discussieerden we aan de hand van een vijftal stellingen over welke keuzes we nú zouden moeten maken, met daarbij een focus op de rol van de PvdA. Hieronder vind je per stelling een samenvatting van de discussie.


Stelling 1:

Economische groei mag niet langer de maatstaf zijn van (overheids-)beleid.

Er wordt hier verschillend over gedacht. Aan de ene kant wordt opgemerkt dat je economische groei niet hoeft te verwerpen en ook anders kan interpreteren, op een wijze waar gezondheid en milieu wel in meegenomen worden. Ook wordt genoemd dat we mogelijkheden niet moeten ‘bevriezen’ maar wel eerlijk moet zijn over de kosten. Alle maatschappelijke kosten moeten worden meegenomen bij het bepalen van groei en winst. Bijvoorbeeld bij het groeien van KLM en Schiphol. Anderen menen dat economische groei simpelweg geen maatstaf kan zijn omdat het tot ecologische schade leidt. Een basisinkomen wordt ook bij deze stelling aangehaald, juist omdat dan wél onbetaalde arbeid wordt meegenomen (hetgeen bij BNP niet gebeurt).

Basisinkomen kan helpen om de fictieve groei in het financiële stelsel te vervangen voor welvaart voor de maatschappij. Dit wordt door anderen betwijfeld omdat het de mondiale aanvoerstromen en verspilling daarvan niet beperkt.  In aanvulling daarop wordt een vorm van basisinkomen gesuggereerd waar een deel van de inkomsten uit duurzame energie met de bevolking worden gedeeld. Een variant daarop is om energie en afvalbedrijven burgeraandelen te laten uitgeven.

Wat betreft alternatieven voor BNP als indicator; wordt onder andere geopperd om de zeventien duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN als indicator te gebruiken in plaats van BNP, ook omdat het een PvdA congresuitspraak is en tot nu toe ze nauwelijks terugkomen in het politieke debat. Het loslaten van de olie- en gasprijs als maatstaf wordt ook als belangrijk onderdeel van dit debat gezien omdat dit veel ‘schonere’ producten te duur maakt. Eco-balans en duurzame ontwikkeling worden genoemd als alternatieve termen voor economische groei.

Stelling 2:
Het inzetten van (financiële) overheidssteun moet een middel worden om te bepalen welke sectoren mogen groeien en welke juist moeten krimpen

Er is brede overeenstemming over dat overheidssteun zo zou moeten worden gebruikt, maar niet of dit ook haalbaar is. Een suggestie die wordt gedaan is dat fossiele bedrijven die steun krijgen een transitie-pad krijgen; ze moeten binnen een bepaalde termijn hun fossiele business af of bombouwen. Niet fossiele bedrijven kunnen een verduurzamingsplan maken en de mate waarin deze wordt behaald kan de rente op de terugbetaling bepalen. Tegelijkertijd wordt daar opgemerkt dat dit gevoelig ligt, ook bij de PvdA, omdat men werkloosheid vreest wanneer deze bedrijven over gaan tot massaontslagen of relocatie. Dit soort plannen moeten dus altijd gepaard gaan met overheidscampagnes die burgers voorbereid op het feit dat producten duurder worden. En tegelijkertijd geldt daarbij; moeten hierbij ook niet de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen? En is dat altijd mogelijk?

Ook wordt er gevreesd voor de politieke haalbaarheid van dergelijke plannen. Zo wordt er al opgemerkt dat de bankensector nu al bevoegdheden op dit gebied krijgt die eigenlijk voor de overheid zouden moeten zijn. Daarbij wordt ook opgemerkt dat het huidige centrumrechtse kabinet vermoedelijk niet tot dit soort maatregelen over zal gaan en dat het juridisch lastig is om dit op de korte termijn te regelen. Als mogelijk compromis wordt genoemd om het komende half jaar alle steun zonder voorwaarden te verschaffen en daarna de voorwaarden langzaam op te schroeven. Tot slot wordt ook de European Green New Deal genoemd; door de investeringen daarvan naar voren te halen worden banen geschapen om de economische crisis tegen te gaan waardoor ook het stellen van zwaardere eisen aan bedrijven tot minder schade zouden leiden.

Stelling 3:
Er moet een garantie komen op een vast leefbaar inkomen voor iedere burger ongeacht of hij of zij betaald werk heeft

De rol van een basisinkomen (of dividend; een basisinkomen dat gefinancierd wordt uit dividenden van het bedrijfsleven in plaats van uit de staatskas) werd flink bediscussieerd, en niet alleen bij het bespreken van stelling 3. Bij het bespreken van stelling 2, over het sturend gebruiken van overheidssteun, werd opgemerkt dat het jammer is dat de overheidssteun niet direct naar de werknemers (en dus de bevolking) gaat. Iemand anders merkt daarbij op dat dit wel voor zzp-ers geldt, en dat in zekere zin via bedrijven lonen nu ook gedeeltelijk door de overheid worden betaald.

In het algemeen wordt met name de relatie tussen een vast inkomen en werk besproken. Als arbeiderspartij is bij de PvdA het belang van participatie in het arbeidsproces en rechtvaardige beloning altijd belangrijk. Sommigen vinden daarom dat het basisinkomen slechts een noodoplossing kan zijn in deze crisis. Anderen zien het juist als een middel richting een nieuwe samenleving, juist een basisinkomen kan ook automatisering bevorderen omdat arbeid die nu met tegenzin verricht door het basisinkomen duurder wordt, waarna automatisering eerder rendabel is. Er worden kanttekeningen geplaatst bij het feit of het aan het individu moet worden overgelaten wat hij zelf leuk vindt.

Als alternatief wordt genoemd dat de bijstand al een vorm van een basisinkomen is. Een alternatieve naam, ‘maatschappelijke waarde fonds’, wordt genoemd waarbij juist ook mantelzorgers, vrijwilligers, kunst en cultuur extra mee kunnen worden gespekt. Daar wordt tegen ingebracht dat de bijstand te laag is en een negatieve connotatie heeft. Ook staat die haaks op het idee van een basisinkomen om iedereen ongeacht wat hij of zij doet te belonen omdat het onwenselijk is om een instantie te laten bepalen wat wel of niet waardevol is. Tot slot wordt ook nog het gevaar genoemd van nieuwe bezuinigingsrondes waarbij de fondsen en bereidwilligheid om zoiets als een basisinkomen te financieren worden ondergraven.

Stelling 4:
Om opnieuw grootschalige bezuinigingen te voorkomen moet een rechtvaardige financiële hervorming op Europees niveau komen waarbij het kwijtschelden van schulden en het instellen van eurobonds een sleutelrol spelen.

Iedereen is het eens dat bezuinigingen voorkomen moeten worden. De manier waarop dat kan gebeuren leidt wel tot discussie. Over eurobonds is veel onduidelijkheid wat het precies doet en of het  de juiste oplossing is. Wel wordt hetgeen het uitstraalt, solidariteit met Zuid Europa, gewaardeerd. En niet alleen vanuit empathie met deze landen, maar ook vanuit eigenbelang omdat Nederland als exportland afhankelijk is van het zuiden. Er wordt gesuggereerd om aan de terminologie te sleutelen om er een positievere connotatie aan te verbinden. Zoiets als een Marshallplan waar de meeste burgers een fijne associatie mee hebben. Wat betreft schulden zijn de meningen verdeeld. Sommigen vinden het goed, als het politieke eenheid bevordert en voorkomt dat landen tegen elkaar worden uitgespeeld. Anderen vinden het belangrijk dat landen financieel verantwoordelijk kunnen worden gehouden, ook in hun belang. Daarbij wordt ook opgemerkt dat kwijtschelden van schulden vaak maar gedeeltelijk is om landen wat extra lucht te geven. Dit kan dus bijvoorbeeld ook eenmalig zijn om nu uit de coronacrisis te komen.

Stelling 5:
We moeten inzetten op een versterking van grensoverschrijdende regionale en lokale economieën om crisisbestendig en circulair te worden.  

Men is het er over eens dat het goed kan zijn om weer lokaal en regionaal te produceren. Bijvoorbeeld dat cruciale goederen regionaal geproduceerd worden, en dat regio’s zelfvoorzienend kunnen worden wat betreft eerste levensbehoeftes. Al wordt daarbij wel opgemerkt dat dit wellicht niet aan bedrijven maar ook aan internationale organisaties moet worden overgelaten. Tegelijkertijd stelt men dat Nederland zich niet moet terug trekken achter de dijken en juist ook internationaal moet blijven optreden. Globalisering heeft ook miljarden mensen uit armoede heeft gehaald. Het terugdringen van flitskapitaal en andere excessen van globalisering moet vooropstaan. Bijvoorbeeld de rol van multinationals en hoe zij mensenrechten en duurzaamheidsregels omzeilen, als mede de belastingstrategie waarmee deze bedrijven worden gepaaid. Dit laatste wordt ook genoemd als argument waarom Nederland zelf bijdraagt aan economische problemen in Zuid-Europa. Er wordt beaamd dat manieren van reizen en digitale vormen van conferenties en elkaar tegenkomen ook wellicht veel gaan veranderen in hoe we ons internationaal over de wereld verplaatsen.

Koen van der Gaast

Koen van der Gaast

Mijn naam is Koen van der Gaast (1989). Sinds anderhalf jaar werk ik als onderzoeker-promovendus bij zowel Aeres Hogeschool Almere als de Wageningen Universiteit. Ik onderzoek de transitie naar een duurzaam voedselsysteem vanuit het perspectief van ondernemerschap in Almere en Flevoland. Daarvoor heb ik drie jaar gewerkt als docent aan de Universiteit van Amsterdam bij

Meer over Koen van der Gaast